Het Bonnenvest

Verslag van het proces van het namaken van het BONNENVEST van Jacoba van Tongeren, bijgenaamd de bonnenkoningin door coupeuse Marie Roelofsen.
Het originele vest is kwijtgeraakt in de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam (zie p. 272-274). De totstandkoming van dit bonnenvest heeft plaatsgevonden van 1 juni tot en met 10 augustus 2021.

Het project begon na het lezen van het boek Jacoba van Tongeren en de onbekende verzetshelden van Groep 2000 (1940-1945) van Paul van Tongeren en Trudy Admiraal – uitgeverij Aspekt – 6de vernieuwde druk – ISBN: 9789461534835

Dat boek werd me gebracht door Eveline van Dijck, documentairemaakster. Die werd op haar beurt geïntroduceerd door mijn vriendin Wies Teepe, biologe, die
aan de Weesperzijde mijn buurvrouw was. Voor Wies had ik ooit een bloesje gemaakt uit een oude jurk van haar moeder (geloof ik). Wies was daar heel
content mee. Zij kende Eveline en toen die met dit idee kwam aanzetten zei Wies: “dan weet ik wel iemand die dat maken kan“.
Eveline vroeg of ik wilde kijken of ik een pak zou kunnen namaken dat in de oorlog gebruikt was om bonkaarten mee te smokkelen. In dat pak, genaamd het
BONNENVEST, konden duizenden voedselbonnen ongezien vervoerd worden om uitgedeeld te worden op adressen waar onderduikers en illegale verzetsmensen
verborgen zaten. Het was ontworpen door Jacoba van Tongeren, die een verzetsgroep aanvoerde (de Groep 2000) en het werd door haar gebruikt gedurende
de hele bezettingstijd. Zij werd daarom de BONNENKONINGIN genoemd.

Jacoba zal een standbeeld krijgen op het Antillenplein, waar ze in de oorlog woonde. Bij die gelegenheid zou dat pak gebruikt kunnen worden. Er is ook een idee om het een rol te geven in de voorstelling van de Amsterdamse verhalenverteller Karel Baracs die rondreist langs scholen om het verhaal van de oorlog en het verzet aan kinderen te vertellen. Later zal het een plaats krijgen in het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Ik las het boek,
bestudeerde het,
raakte geboeid en ging op onderzoek.

3 juni – Ik ging naar de Antillenstraat en keek omhoog naar de flat op nummer 45 één hoog waar Jacoba destijds woonde. Daar sprak ik mijn vriendin Ria Ballast die vertelde dat zij in deze West-Indische buurt (De Baarsjes, achter het Surinameplein) was opgegroeid waarvan haar vader de bouwmeester was en dat hij lid was van de NSB. De buurt werd geopend in 1939. Jacoba kon hier een woning betrekken. Hier zal het standbeeld van Jacoba worden onthuld op 10 oktober aanstaande.

Antillenbuurt in aanbouw 1935-1939
Antilleplein nr45

16 juni – Er kwam een afspraak in het Verzetsmuseum om de bonkaarten te komen bekijken. Hoe zagen die er uit en wat waren de maten? In het boek staat dat ze duizenden bonnen vervoerde, maar ging het bij Jacoba om duizenden bonkaarten of om duizenden bonnen? Hoe groot en hoe diep moesten de zakken worden?

Deze plaatjes waren van internet gehaald, maar daar stonden helaas geen maten bij.

Om inspiratie op te doen ben ik naar het Verzetsmuseum gegaan. Waren er misschien voorbeelden van soortgelijke kledingstukken om dingen mee te smokkelen? Dat bleek het geval:

Na een goed gesprek kreeg ik 3 originele bonkaarten mee om als voorbeeld te dienen.

De maten waren 18 x 38 cm. Er zaten ongeveer 200 bonnetjes op elke kaart. De kaart was geperforeerd.

Opgevouwen in vieren meette het geheel 18 x 9 cm. Zo groot moesten de zakken dus worden.

Er waren summiere aanwijzingen voor het vest, zo bleek uit het album ‘Het bonnenvest’ van Jacoba, een tekening die Jacoba uit haar hoofd maakte na de oorlog, toen ze haar herinneringen ging opschrijven.

Bij de tekening was ook dit briefje bijgevoegd::

Het pak was gemaakt door de militaire kleermaker van de vader van Jacoba, de heer Labohm. Ik ging er van uit dat deze kleermaker voornamelijk in Nederlands-Indië had gewerkt en nu in Nederland. (Toen ik op 30 november 1966 met August Willemsen trouwde maakte een vriend van ons, Hans Labohm, foto’s van onze bruiloft. Die moet toen een jaar of 25 geweest zijn. Helaas had ik niet kunnen traceren of zijn vader of grootvader misschien kleermaker was geweest)

Grote kans dat op het atelier van die kleermaker voornamelijk uniformstoffen en legerbenodigdheden voorradig waren. Praktische en handige fournituren voor de gebruiksfuncties van zo’n werkpak.

Afbeeldingen van soortgelijke vesten, gedragen door soldaten of jagers:

De vraag was of de zakken, zoals aangegeven op de tekening van Jacoba, aan de binnenkant (binnenzakken) of gewoon aan de buitenkant moesten komen zoals bij de normale uniformen. Dat moest allemaal maar eens worden uitgeprobeerd.

18 juni – Vanaf de Zeeburgerdijk fietste ik langs het Merwedekanaal naar Weesp, naar een groothandel in uniformstoffen op een industrieterrein. Daar bekeek en bevoelde ik de stoffen en twijfelde over welke kleur ik zou gaan nemen. (Leger)groen was de kleur van de uniformen in Nederlands-Indië waar die kleermaker altijd gewerkt had, waar Jacoba ook was opgegroeid. Kaki of grijs was een mooie neutrale kleur. Er was KLM-blauw en er was donkerblauw. Dat was de kleur van verpleegstersuniformen van die tijd. Jacoba was ook verpleegster. Wellicht gebruikte ze dat uniform soms als camouflage?

Na rijp beraad via de telefoon met Eveline kozen we voor donkerblauw.

Het werk kon beginnen. Ik maakte vervolgens een tekening met een indicatie waar die zakken moesten komen. (zie ook de tekening van Jacoba).

Eerst maar eens kijken hoe lang x breed x diep die zakken moesten worden.

Zo kwam de volgende berekening tot stand, mede door de opmerking van verteller Karel Baracs die vertelde dat het geheel 5 kilogram woog.

De bonkaarten wogen 5 gram per blad waarop ongeveer 200 kleine bonnetjes zaten volgens mijngrammenweger.  Er waren 20 zakken in het vest inclusief de  beenkappen. Als ze gevuld waren woog het geheel dus 5 kilo.

Dat betekende 1000 vellen (bonkaarten) totaal.
1000 x 5 gram = 5000 gram = 5 kilo
Verdeeld over 20 zakken zou dat 50 stuks per zak betekenen, in opgevouwen vorm. Hoe hoog wordt dat stapeltje?!

Ter vergelijking:
printpapier van AH (80 grams: een vierkante meter papier weegt 80 gram)
Hoeveel vellen zitten er in een pak papier? 500 vellen.
Eén vel A4 (210 x 297 mm) weegt daarmee circa 5 gram.
Een pak papier met 500 vellen A4 betekent 2,5 kilo gewicht.
Twee van die pakken samen wegen dan 5 kilo.

*opmerking:
Het getal 250 dat op de tekening van Jacoba stond op elke zak sloeg op HET GEWICHT per zak.
50 vellen x 5 gram = 250 gram
20 x 250 gram = 5000 gram

Na het naaien van een proefzak kwam ik tot de conclusie dat hierin 50 stuks opgevouwen bonkaarten pasten nadat ze nog iets werden ingedrukt. Deze zak was 4 cm hoog. 2cm Was misschien beter? het was het proberen waard. De zakken zaten aan de binnenkant, anders zou je de omtrek van de zak teveel zien aftekenen, bedacht ik me.

Bij het uitproberen op een proeflap met verschillende soorten zakken waaronder een met platte zak met knoop en knoopsgat bijvoorbeeld had dit als nadeel dat wanneer de zak gevuld was met bonnen, deze erg ‘tekende’, zichtbaar uitstak naar beide kanten.

Naar aanleiding van een afbeelding van een dijbeenkap dat mij anatomisch verantwoord leek, zoiets moest het geweest zijn, nam ik mij voor om met de beenkappen te beginnen. Als ik dan op een verkeerd spoor zit heb ik tenminste niet al te veel stof verbruikt.

Ritssluitingen hadden ze geloof ik niet in die tijd, dus maakte ik een soort ‘lipjes’ met een knoopsgat voor de sluiting en zocht daarbij passende knopen uit mijn knopendoos. Maar dat was idioot veel werk! Gelukkig bleek bij ‘JAN de Grote Kleinvakman’ op de Albert Cuyp dat er koperen drukknopen bestonden. “Die hadden ze in de oorlog ook al hoor!” werd erbij gezegd.

Die beenkappen gingen er vervolgens zo uitzien:

Nu was te bezien hoe zo’n rijtje zakken ‘oogde’. Aan de buitenkant van het pak bleven ze zeer ‘bultig’ zichtbaar door de overkleding heen. Ze moesten dus aan de binnenkant, dan bleef het aan de buitenkant mooi glad.

Het werd nu tijd om over het echte vest na te gaan denken.

Er bleek een boek te bestaan over een andere jas met geheime binnenzakken. ‘De geldjas van Max Nord’ van Harrie van Wijnen, ISBN 9789463820608.
Een hoofdstuk ging over Paroolmedewerker Max Nord, die allerlei functies in het verzet had, maar bovenal loonzakjes voor de illegaliteit rondbracht. In een speciale jas bracht hij grote geldbedragen rond. Toen de jas versleten was, naaide de vrouw van Simon Carmiggelt, die coupeuse was (net als ik!) daar een nieuwe voering in, inclusief onzichtbare binnenzakken. Maar dit betrof een gewone winterjas. Helaas kon deze jas niet als voorbeeld dienen. Het vest van Jacoba was een unicum, speciaal ontworpen voor haar doel.
Tiny en Simon Carmiggelt zaten volop in het verzet. Zij opereerden met een heleboel ander mensen vanuit een pand aan de Reguliersgracht. Bij die club was ook een man betrokken die Bart van Tongeren heette. Was hij familie van Jacoba?

Al bladerend in van alles tijdens mijn zoektocht naar voorbeelden, kwam ik ook deze plaatjes nog tegen:

Misschien heeft die kleermaker toch ook aan een iets elegantere snit gedacht? Ik zag de plooitjes voor de ‘coupe’. Want tussen al die opgevulde zakken door moest er natuurlijk ook nog plaats zijn voor de boezem zelf.

Wanneer Jacoba het vest onder haar kleren aan had, zag ze er uit alsof ze zwanger was. Soms stond er wel eens een Duitse soldaat op in de tram om plaats te maken voor haar. Het profiel van zwangere vrouwen leek mij het verder bestuderen waard.
Twee knoopjes voor de sluiting in de tailleHeeft een zwangere vrouw nog een taille?…
Aan de voorkant moesten inderdaad gewone knopen komen en niet van die koperen drukknopen, omdat er soms koeriersters waren die het pak leenden, voor wie het te nauw was. Die losten dit probleem vervolgens op met elastiekjes door de knoopsgaten ter bevestiging.

En er was nog meer denkwerk nodig.

De schouderbreedte moest smal zijn, maar er moest wel een zak op passen. Hoeveel ‘dikte’ kwam er bij als alle zakken gevuld waren? Het vest moest aan de buitenant minstens een maat groter zijn dan de binnenmaat. Ik vond een foto van een jak zoals dat in de hongerwinter was gedragen en van een winterjas die Jacoba wellicht in de winter over haar bonnenvest aan had. Die foto’s kwamen uit het boek ‘Amsterdam tijdens den Hongerwinter’ van Max Nord met foto’s van Emmie Andriesse en Cas Oorthuys, 1947 Bezige Bij. Dit boek was alleen op afspraak te bekijken in de OBA.

In het boek was ook een foto van Jacoba in winterjas, en een foto van haar, elegant in het Vondelpark. De foto’s gaven me verbeelding en inspiratie.


Bij het neerleggen van het patroon op tafel nam ik uiteindelijk de beslissende stap: knippen in de stof.

Eerst maakte ik alle zakken, vijf in de breedte en vijftien in de lengte. Daar moesten passende klepjes bij. Ze stonden duidelijk op de tekening van Jacoba, daar kon je niet onderuit. Vervolgens moesten er allemaal drukknopen ingeslagen worden.

Die zakken moest op de panden genaaid worden vóórdat het jak in elkaar gezet kon worden. Maar er moest wel eerst met behulp van de paspop bekeken worden waar ze nou precies moesten komen.

Stapje voor stapje kwam het vest in de vorm.

Het kreeg zowaar het profiel van een zwangere vrouw!

Voor de ophanging van de beenkappen moest een oplossing worden gezocht. Jacoba vermelde ‘jarretels’, mijn buurvrouw had er nog een paar, maar die bleken veel te nietig en te zwak om de zware, met kaarten gevulde beenkappen op te houden. De bevestigingen van de jarretels konden ook met geen mogelijkheid door de stof! Probeerde bandjes met een klipje er aan maar die waren dan weer te strak. Hoe nu verder?

Op een vroege ochtend, het was vrijdag 30 juli om 5 uur, kreeg ik een ingeving. Het moesten geen jarretels zijn maar bretels! Die waren veel breder en hadden steviger elastiek. Maar waar koop je vandaag de dag nog bretels? Keek vervolgens even op internet en om 8 uur stond ik al bij de Hema voor de deur en zowaar: bingo!

Dit zou kunnen gaan helpen, dacht ik en nam het besluit om voor een praktische oplossing te gaan, ookal is het niet helemaal conform het tijdsbeeld. Het werden klipjes. Wist niet of ze die toen ook echt al hadden, maar ik kon weer verder.

Naar het voorbeeld van ‘Joke’ uit het boek op pagina 274, borduurde ik met fijne rode kruissteekjes het ‘wasmerk’ onder een van de klepjes op het rugpand. Natuurlijk wel een beetje verdekt opgesteld.

Voor de sluiting aan de buitenkant/voorkant van het vest moesten gewone knopen worden gebruik in verband met de ‘elastiekjes-truc’. Gelukkig konden daar de lipjes met knoopsgaten voor gebruikt worden die ik nog had liggen, keerde de knopendoos om en vond – na rijp beraad – bijpassende knopen.
Aan de binnenkant was het pak een militair uniform, met koperen drukknopen, maar aan de buitenkant leek het op een gewoon damesjasje, met elegante goudkleurige knopen.

een gewoon damesjasje
een militair uniform

18 augustus – Een paar mensen die betrokken waren bij de voortgang van dit proces had ik bij mij uitgenodigd. Eveline van Dijck bracht wijn en zoutjes, de buurvrouw maakte een pan soep. Karel Baracs kwam op een bescheiden podium een deel van zijn voordracht doen. Pieter Teepe was gekomen om te kijken (Hij zal de onthulling van het standbeeld op het Antillenplein organiseren). Mijn vriendin Ieke Spiekman trad op als mannequin en showde het BONNENVEST van binnen en van buiten met een dikke winterjas er overheen. Het was een groot succes en een heel geanimeerde bijeenkomst!

Het wachten is nu nog op de 1500 bonkaarten die in bestelling liggen bij drukkerij Stetyco. Wij verwachten die voor het einde van de maand zodat Karel er mee ‘op reis’ kan.

22 augustus 2021 – Einde werkproces

Dit was de presentatie van Ieke waarbij het  bonnenvest en het dragen ervan werd getoond:

Ieke met jas aan
jas uit voor- en achterkant
Kijk wat er allemaal aan de binnenkant zit!
Dankjewel IEKE!

Dit verslag is gemaakt door Marie Roelofsen

 

 


De ‘making-of’ HET BONNENVEST is een film van documentairemaakster Eveline van Dijck over Marieke Roelofsen en de totstandkoming van een replica van het bonnenvest van verzetsstrijdster Jacoba van Tongeren, leidster van de Groep 2000 waarmee zij voedselbonnen illegaal wist te distribueren.